Herkomst

De paling, wetenschappelijke naam: Anguilla anguilla, is een langwerpige vis die behoort tot de familie echte palingen (Anguillidae).

 

Uiterlijk

De paling is een langwerpige, smalle vis met een slijmerige huid. Veel mensen die onbekend zijn met het dier vergelijken het vaak met een slang. Elke paling heeft een donkere kleur en een wit / zilverige onderkant. De kleur van de huid wordt bepaald door het leefgebied en voedsel van de paling. De rugvin begint vrij ver achter de kop en loopt over in de anaal- en staartvin. Ondanks dat ze met het blote oog niet zichtbaar zijn, heeft de paling ook schubben die diep in het lichaam verborgen zitten. De kop is vaak toegespitst. De paling heeft kleine borstvinnen, geen buikvinnen en kleine kieuw openingen dat het in staat stelt om de kieuwen lang vochtig te houden op het droge. 

 

Verspreiding

Hoewel de wereldzeeën vele soorten aalachtige vissen kent, komen weinig soorten voor in zoet water. Dit zijn voornamelijk de soorten die tot de Anguillidae familie horen.

De paling die voorkomt in Europa en Noord-Afrika wordt voornamelijk de Europese paling genoemd en komt voor in alle Europese rivieren en oppervlaktewateren.

 

Habitat

Palingen liggen graag beschut en veilig. Overdag liggen ze vaak in het zachte zand begraven of verscholen in begroeingen om er 's nachts uit te komen om te jagen. 

Palingen komen in vrijwel alle wateren voor. Alleen als het water teveel vervuild is of juist te schoon, of als er gebrek is aan zuurstof vermijden palingen deze.

Des te makkelijker de paling vanuit zee de rivieren of wateroppervlakten kan vinden des te talrijker ze zullen voorkomen. Palingen kunnen ook kleine afstanden over vochtig land afleggen om deze wateren te bereiken. Hierdoor komen ze ook voor in wateren die niet in (meer) in verbinding staan met de zee of rivieren.

 

Voeding en groei

Kleine palingen die nog in de groeifase bevinden, voornamelijk glasaal, hebben een dieet bestaande uit voornamelijk ongewervelden, kleine kreeftachtigen en wormen. Insectenlarven worden ook gegeten maar zijn geen belangrijk onderdeel van het dieet.

 

Wanneer er veel voedsel voorhanden is houden sommige groeiende palingen zich nog steeds aan dit dieet en ontwikkelen een spitse kop. Deze palingen heten daarom ook wel, spitskopaal. Andere palingen in ontwikkeling kunnen overgaan op een dieet dat voornamelijk bestaat uit andere vissen en krijgen hierdoor een brede kop. Deze palingen worden daarom ook breedkopaal genoemd.

 

Voortplanting en trek

De voortplanting van de paling is lange tijd onbekend gebleven omdat deze een van de weinige vissen is die de voortplanting in de 'verkeerde' volgorde schijnt te voltooien. Veel vissoorten planten zich voort in zoete en beschutte wateren om, als ze groot zijn, naar zee te trekken. Palingen doen dit net andersom en zijn daarom een katadrome soort.

 

De paling plant zich voort in de Sargassozee in het westen van de Atlantische oceaan. Hoe dit precies in zijn werk gaat is nog steeds onbekend voor de wetenschap. Wat wel bekend is dat larven voorkomen tussen de 150 en 500 meter diepte. De larven liften als het ware mee met de Golfstroom richting Europa. Eenmaal aangekomen zijn de larven ontwikkeld in glasaal. Dit zijn kleine, tot 6 centimeter, palingen die nog geen pigment hebben en hierdoor doorzichtig zijn. Vandaar de term glasaal. Het geslacht wordt bepaald door de leefomstandigheden van de paling.

 

Als de paling een bepaalde hoeveelheid vet in zijn vlees heeft opgeslagen wordt hij schieraal genoemd. De dieren worden vet, de ogen worden groter en ze krijgen een lichtgrijze kleur met een witte buik, de vinnen worden groter en de huid wordt dikker. Als de terugreis aanvangt naar het paaigebied in de Sargassozee zijn de palingen nog niet volledig geslachtsrijp. Verdere geslachtsontwikkeling vindt plaats tijdens de reis.